De landbouw verandert niet met grote sprongen, maar sommige ontwikkelingen worden elk seizoen duidelijker zichtbaar. Deze trends in de landbouw worden al in de praktijk gevoeld: telers, adviseurs en distributeurs sturen minder ad-hoc en meer op stabiliteit. Volgens agronomen zet deze lijn zich in 2026 verder door, als logisch vervolg op de afgelopen jaren.
Hieronder staan de belangrijkste trends die agronomen voor 2026 verwachten en wat ze in de praktijk kunnen betekenen.
De weersomstandigheden worden grilliger: langere periodes met droogte, onregelmatige regenval en sterke temperatuurwisselingen. Gewassen krijgen daardoor vaker te maken met chronische abiotische stress, in plaats van een korte piek van droogte of hitte.
Waar voorheen maximale kilo’s belangrijk was, verschuift de focus naar constante, voorspelbare opbrengst onder wisselende omstandigheden.
Praktijkvoorbeeld:
In uien en aardappelen leidde langere droogte in het groeiseizoen de afgelopen jaren tot verminderde knol- of bolvorming, zelfs wanneer latere regen de vochtbalans herstelde. De periode van stress tijdens wortelontwikkeling was bepalend, in plaats van de hoeveelheid regen.
Waar biostimulanten jarenlang werden ingezet als oplossing nadat stress zichtbaar werd, zien agronomen een verschuiving naar preventief gebruik op basis van groeistadia. Het gaat dus minder om “iets corrigeren achteraf” en meer om “iets proberen te voorkomen”.
Dit past bij de bredere trend richting planmatig telen. Biostimulanten worden steeds vaker gekoppeld aan wortelontwikkeling, efficiëntere nutriëntenopname en stressvoorbereiding, vóórdat de plant problemen laat zien.
Voor telers betekent dit:
De markt voor biostimulanten is breder geworden, en daarmee ook kritischer. Agronomen verwachten dat telers in 2026 meer nadruk leggen op:
Producten met twijfelachtige of niet-onderbouwde claims gaan het moeilijker krijgen. Middelen die wel aantoonbaar effect hebben, krijgen sneller een vaste plek in teeltprogramma’s.
Praktijkvoorbeeld:
Sommige telers testen een middel eerst op een proefperceel, gevolgd door monitoring van worteldiepte, gewasontwikkeling en opbrengst in vergelijkbare omstandigheden. Laat het middel daar een duidelijk en herhaalbaar effect zien, dan krijgt het in het volgende seizoen vaak een vaste plek in het teeltprogramma.
Het wordt steeds duidelijker dat gewasweerbaarheid begint bij de bodem. In 2026 verwachten agronomen meer focus op:
Biostimulanten worden beschouwd als belangrijke ondersteuning van wortelgroei en een actief bodemleven.
Waarom dit praktisch relevant is:
Een perceel met hogere microbiële activiteit en betere structuur benut regenwater efficiënter en reageert minder heftig op droogte. Dit kan de opbrengst minder afhankelijk maken van piekinterventies en correcties achteraf.
Er is steeds minder draagvlak voor het idee van “het ene product dat alles oplost”. In veel teelten blijkt een combinatie van maatregelen die op elkaar zijn afgestemd beter te werken dan één enkele oplossing. Denk aan:
Het teeltadvies verschuift daardoor van losse middelen naar geïntegreerde programma’s. Distributeurs die hierin meedenken, worden eerder als kennispartner gezien dan als leverancier.
In 2026 worden scherpere eisen verwacht rondom:
Hierdoor wordt het steeds belangrijker dat producten een duidelijke onderbouwing hebben, zoals wat ze doen en hoe ze werken, waarop de claims zijn gebaseerd, en welke dosering en kosten daarbij horen.
Steeds vaker worden data en monitoring gebruikt om keuzes te onderbouwen, bijvoorbeeld met:
Dat maakt keuzes minder afhankelijk van alleen ervaring, en zorgt ervoor dat adviezen concreter worden onderbouwd.
2026 wordt geen jaar waarin alles ineens anders moet. Verwacht wordt dat bestaande trends in de landbouw vooral verder worden geprofessionaliseerd: met minder reactief sturen, meer aandacht voor bodem en wortel, en adviezen die meer nadruk leggen op bewijs en transparantie.
Welke ontwikkeling herken jij al het meest in jouw teelt?